“Amor“

Ach Amor kleine liefdesgod,
hoe raak zijn soms uw pijlen.
Gij stuurt ze op geliefden af,
welk met elkaar verwijlen.

 

Uw pijlen raken zo het hart,
gij laat het doen ontvlammen.
Het vuur der liefde zo ontbrand,
door niets meer in te dammen.

 

Hoe prachtig mooi de liefde is,
door Amor ons gegeven.
Ineen gesmolten met elkaar,
zo samen door het leven.

 

Zolang de harten vlammend zijn,
elkaar de trouw beloven.
De bron van liefde blijft gevoed,
kan niets het vuur meer doven.

 

Hoe bitter kan het leven zijn,
één hart dat gaat verscheiden.
Het brandend hart dat overblijft,
dooft langzaam uit door lijden.

 

Een smeulend hart kan warm zijn,
de vlam blijft zachtjes gloeien.
Één pijl kan al voldoende zijn,
Amor, gij blijft mij boeien.