“Amor“

Ach Amor kleine liefdesgod,
hoe raak zijn soms uw pijlen.
Gij stuurt ze op geliefden af,
welk met elkaar verwijlen.

 

Uw pijlen raken zo het hart,
gij laat het doen ontvlammen.
Het vuur der liefde zo ontbrand,
door niets meer in te dammen.

 

Hoe prachtig mooi de liefde is,
door Amor ons gegeven.
Ineen gesmolten met elkaar,
zo samen door het leven.

 

Zolang de harten vlammend zijn,
elkaar de trouw beloven.
De bron van liefde blijft gevoed,
kan niets het vuur meer doven.

 

Hoe bitter kan het leven zijn,
één hart dat gaat verscheiden.
Het brandend hart dat overblijft,
dooft langzaam uit door lijden.

 

Een smeulend hart kan warm zijn,
de vlam blijft zachtjes gloeien.
Één pijl kan al voldoende zijn,
Amor, gij blijft mij boeien.

 

“Nacht”

“Nacht”

De nacht in ’t aller donkerste,
de schaduw van ons leven.
Gevreesd totdat het morgen is,
gaat dageraad ons geven.

Zolang de zon maar onder blijft,
geen nacht weet te verdrijven.
Het donker macht en overhand,
ons licht zal doen beklijven.

Maar wee als ’t licht weer schijnen gaat,
nieuw leven gaat ontluiken.
O Heer geef mij weer kracht en moed,
talenten te gebruiken.

Zo kan ik voor Uw aangezicht,
het leven gaan ontginnen.
En dan bij d’eerste zonneschijn,
met hart en ziel beginnen.

Verdrijf de nacht verdrijf het zwart,
laat licht mij weer verblijden.
O Heer keer terug weer in mijn hart,
voorbij is dan het lijden.